In 2022 oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2020 onevenredig was, omdat daarin onvoldoende werd gedifferentieerd naar de mate van verwijtbaarheid. Betoogd kan worden dat de Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen ook op een ander punt onevenredig is, namelijk omdat onvoldoende wordt gedifferentieerd naar de omvang van de onderneming. Hieronder licht ik dat toe.
Wat is de Wet arbeid vreemdelingen?
In de Wet arbeid vreemdelingen zijn regels opgenomen over het laten verrichten van arbeid door personen van buiten de EU/EER.
De Wet arbeid vreemdelingen kwalificeert onder meer de volgende gedragingen als overtreding:
– het niet naleven van artikel 2 (illegale tewerkstelling);
– het niet naleven van artikel 2a (schending van de meldingsplicht);
– het niet naleven van artikel 15 (regels omtrent het identiteitsbewijs);
– het niet naleven van artikel 15a (het niet kunnen overleggen van een geldig identiteitsbewijs).
Bij overtreding van deze verplichtingen kan het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een bestuurlijke boete opleggen.
Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2020 onevenredig
De regels over de hoogte van de boete staan in de Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen. Op 13 juli 2022 heeft de Afdeling van de Raad van State geoordeeld dat de Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2017 en 2020 onvoldoende differentiëren naar mate van verwijtbaarheid. De Afdeling vond de beleidsregels op dit punt onevenredig.
Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2025
Op 1 februari 2025 is de Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2025 in werking getreden. Deze beleidsregel vervangt de versie uit 2020 en introduceert een aangepaste hoogte en berekeningswijze van de boetes, waardoor (wel) voldoende wordt gedifferentieerd naar mate van verwijtbaarheid.
Is daarmee de Beleidsregel evenredig? Ik meen van niet. De Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2025 maakt – net als eerdere beleidsregels – namelijk onderscheid tussen:
– de eenmanszaak, boetenormbedrag € 3.000 (dit was € 4.000); en
– de rechtspersoon, boetenormbedrag € 6.000 (dit was € 8.000).
De gedachte achter dit onderscheid lijkt te zijn dat een ondernemer met een eenmanszaak met zijn privévermogen heeft in te staan voor de boete, terwijl dit bij een rechtspersoon anders ligt of kán liggen. Deze redenering houdt echter om meerdere redenen geen stand.
In de eerste plaats volgt uit de rechtspraak dat voor een vennootschap onder firma (V.O.F.) eveneens het hogere boetenormbedrag geldt dat is gekoppeld aan rechtspersonen, terwijl de vennoten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de V.O.F.
Daarnaast is het onderscheid naar rechtsvorm op zichzelf niet evenredig. Er bestaan eenmanszaken (zij het uitzonderlijk) met honderd of meer werknemers, terwijl er ook veel besloten vennootschappen zijn met slechts één of twee werknemers. In zo’n geval kan een eenmanszaak beschikken over een HR-afdeling en specialistische kennis op het gebied van arbeidswetgeving, terwijl een kleine BV die middelen en kennis niet heeft.
Ook kan een BV verlieslatend zijn, terwijl de eenmanszaak aanzienlijke winst maakt. Toch leidt de beleidsregel ertoe dat een BV bij een overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen een boete krijgt die twee keer zo hoog is als die van een eenmanszaak. Dat is moeilijk te rechtvaardigen.
Vergelijking met andere beleidsregels
In andere beleidsregels wordt mijns inziens dan ook terecht onderscheid gemaakt naar omvang van de onderneming. Zo wordt in de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit 2013 de volgende staffel gehanteerd:
– 0,5 maal het boetenormbedrag voor de werkgever met minder dan 10 werknemers;
– 0,75 maal het boetenormbedrag voor de werkgever die minder dan 50 werknemers heeft;
– 1,5 maal het boetenormbedrag voor de werkgever die 100 of meer werknemers heeft.
Het hanteren van een dergelijke staffel verdient mijns inziens ook bij overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen navolging.
Conclusie
De Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen houdt onvoldoende rekening met de omvang van ondernemingen, waardoor de beleidsregel kan leiden tot onevenredige uitkomsten. Gezien de lijn in de jurisprudentie is het niet ondenkbaar dat de bestuursrechter (nogmaals) een streep zal zetten door de beleidsregel met als gevolg dat de Minister weer naar de tekentafel moet.
Heb jij een boete opgelegd gekregen van de Nederlandse Arbeidsinspectie en kun jij je daarin niet vinden? Neem dan contact met mij op, zodat we de mogelijkheden kunnen bespreken (boystenden@lawandpepper.com of 06-27177989).
Of neem kennis van het door mij opgestelde E-book met als titel: ‘Wat kun je doen tegen een boete van de Nederlandse Arbeidsinspectie?’.
